Nederland regelt zich vast: als regels mensen klemzetten

Maatschappij · Wonen · Wmo · Eigen ervaring

Nederland regelt zich vast: als het systeem belangrijker wordt dan de mens

We hebben in Nederland voor bijna alles een regeling. Voor wie ziek wordt, hulp nodig heeft of zijn woning dreigt te verliezen. Op papier ziet het er prima uit. Maar wat als al die regelingen elkaar in de praktijk tegenwerken? En iedereen zijn taak uitvoert, terwijl niemand het probleem oplost?

Door Dossier op Orde

Op papier geregeld. In de praktijk vastgelopen.
Dit verhaal gaat over een ontruiming, een woningzoekende met MS en PTSS en huishoudelijke hulp die maar niet komt. Drie situaties, één terugkerende vraag: wie kijkt nog naar de uitkomst?

Een land vol vangnetten. Tot je valt.

Nederland is goed in het bedenken van voorzieningen. We hebben de Wmo, urgentieprocedures, woningcorporaties met maatschappelijke verplichtingen, gemeentelijke zorgteams en cliëntondersteuners. Voor vrijwel ieder probleem bestaat wel een loket. En voor dat loket bestaat weer een procedure. Er zijn beleidsplannen, prestatieafspraken, uitzonderingsbepalingen en bezwaarprocedures. Allemaal met een bedoeling. Maar zodra iemand meerdere problemen tegelijk heeft, blijken die regelingen elkaar nogal eens in de weg te zitten.

Ik vraag me de laatste tijd steeds vaker af waar we eigenlijk mee bezig zijn. Helpen we mensen? Of zijn we vooral heel zorgvuldig aan het vastleggen waarom iets niet kan? Het kan namelijk meer dan eens gebeuren dat iedere instantie volgens haar eigen regels handelt, terwijl de uitkomst voor de betrokken persoon ronduit mensonterend is.

Dakloos worden om te bewijzen dat je een woning nodig hebt

De afgelopen maanden ben ik intensief betrokken bij iemand die mij bijzonder dierbaar is. Een intelligente man met zware PTSS, straat- en mensenvrees en chronische depressie. Hij woonde jarenlang zelfstandig. Betaalde zijn rekeningen, veroorzaakte geen overlast en had met de gemeente afspraken over hoe hij, ondanks zijn beperkingen, zijn leven kon inrichten. Hij leefde teruggetrokken. Dat was geen geheim en ook geen keuze uit luxe. Zijn psychische klachten beperkten hem enorm in zijn contact met de buitenwereld. Maar juist die beperkte zichtbaarheid werd een belangrijk argument in de procedure over zijn hoofdverblijf. Op 14 oktober 2026 werd hij ontruimd. En daarmee begon de volgende ronde.

Voor woonurgentie moet je je noodsituatie aantonen. Logisch, zou je denken. Maar wie tijdelijk bij iemand op de bank slaapt, krijgt vervolgens de vraag of er wel voldoende acute woonnood is. En wie nergens terechtkan, moet ondertussen zonder vaste plek zijn post, administratie, gezondheid en dagelijkse bestaan zien te regelen. Je moet bewijzen dat je niet zonder woning kunt, terwijl je geacht wordt het zonder woning te redden. Leg dat maar eens uit.

Wat mij vooral bezighoudt: vóór de ontruiming waren de risico's bekend. De gemeente was betrokken en had de woningcorporatie gevraagd de ontruiming te staken. Er lag medische informatie. Toch ging het door. Waar is preventiebeleid dan voor, als we een voorzienbare ontwrichting niet weten te voorkomen?

Je moet bewijzen dat je niet zonder woning kunt, terwijl je geacht wordt het zonder woning te redden.

U heeft MS? Dan moet u uw PTSS maar even vergeten.

Onlangs sprak ik iemand met multiple sclerose (MS) én PTSS. Verschillende medische professionals hadden een passende woning geadviseerd. Hij kreeg uiteindelijk urgentie, na meerdere pogingen en het aanvechten van besluiten met hulp van een advocaat. Je zou denken: dan is de belangrijkste hobbel genomen. Niet dus. Bij de toewijzing bleek zijn inkomen volgens de gehanteerde voorwaarden net iets te hoog. Hij moest, in zijn eigen woorden, hemel en aarde bewegen om de woning toch te krijgen.

Er was ook een woning in een onrustige omgeving voorgesteld. Hij legde uit waarom die vanwege zijn PTSS niet geschikt was. Volgens hem kreeg hij te horen dat hij zijn PTSS dan maar even moest vergeten, omdat hij vanwege zijn MS een woning zocht. Alsof je de ene diagnose uit kunt zetten zodra je voor de andere bij een loket staat. Een mens heeft niet één probleem per loket. Hij heeft één leven waarin al die problemen door elkaar lopen. En juist dat lijkt voor onze regelingen soms moeilijk te bevatten.

Een mens heeft niet één probleem per loket. Hij heeft één leven waarin al die problemen door elkaar lopen.

Weinig zichtbaar? Dan woont u er misschien niet.

Diezelfde man vertelde dat zijn buren hem soms wekenlang niet zien. Hij werkt, leeft teruggetrokken en heeft vanwege zijn gezondheid niet bepaald een druk sociaal leven. Af en toe zegt iemand: 'Ik heb je al zo lang niet gezien.' Maar hij woont er gewoon. Hij merkte op dat, als de maatstaven voor zichtbaarheid die in de zaak van mijn naaste een rol speelden overal zouden worden toegepast, er bij hem op de verdieping vermoedelijk meer bewoners in de problemen zouden komen. Misschien hijzelf ook.

Natuurlijk mag een woningcorporatie onderzoeken of iemand daadwerkelijk zijn hoofdverblijf in een woning heeft. Maar weinig zichtbaar zijn is niet hetzelfde als ergens niet wonen. Tijdens de gemeenteraadsvergadering waar ik insprak over kwetsbare inwoners hoorde ik opnieuw dat een woningcorporatie niet achter de voordeur kan kijken. Tijdens de rechtszaak werd ook gewezen op de bewijspositie van de bewoner omdat volgens de rechter 'de woningcorporatie niet achter de voordeur kan kijken'. Maar juist om dit soort situaties op te vangen zijn er afspraken over samenwerking met de gemeente. En in de zaak van mijn naaste is die samenwerking naar mijn overtuiging tekortgeschoten. Mensen met psychische klachten, lichamelijke beperkingen of een klein netwerk zijn soms nauwelijks zichtbaar. Als die onzichtbaarheid vervolgens tegen hen gaat werken, wordt hun kwetsbaarheid ineens een verdenking.

U heeft recht op huishoudelijke hulp. Alleen leveren we die niet.

De man heeft ook een Wmo-indicatie voor huishoudelijke ondersteuning. Die heeft hij niet voor de sier. Door zijn gezondheid kan hij bepaalde werkzaamheden gewoon niet zelf doen. Sinds het voorjaar kreeg hij volgens zijn verhaal nauwelijks hulp. Aanbieders kwamen niet, afspraken liepen vast, de ene na de andere oplossing bleek geen oplossing. Ondertussen bleef het huishouden liggen. En toen kwam de suggestie dat zijn bijna 75-jarige moeder misschien meer kon doen. Zijn moeder. Bijna 75. Zelf is hij vanwege zijn gezondheid al minder gaan werken, mede om ruimte te houden voor herstel en wat hij nog wél kan doen in huis. Maar die zware klussen blijven liggen. Daarom heeft hij die indicatie juist. Het probleem is dus niet dat er geen recht op ondersteuning is vastgesteld. Het probleem is dat de hulp vervolgens niet wordt geleverd. Een indicatie maakt geen badkamer schoon. Een beschikking doet geen boodschappen. En aan een prachtig beleidsplan heb je weinig als de hulp gewoon niet komt.

Een indicatie maakt geen badkamer schoon. Een beschikking doet geen boodschappen.

De ene woningcorporatie denkt mee, de andere verschuilt zich achter regels.

Hij vertelde ook over een andere gezinssituatie. Een woning zat overvol met spullen, er waren zorgen over veiligheid en de gezinssamenstelling veranderde. De betrokken woningcorporatie dacht volgens hem actief mee over werkzaamheden, praktische aanpassingen en eventueel een andere woning. Niet alles lukte. Sommige plannen kwamen niet van de grond. Maar er zat wel iemand aan tafel die meedacht. Dat is het verschil. Regels hoeven menselijkheid niet uit te sluiten. Je kunt ook kijken wat er binnen de regels wél mogelijk is, in plaats van het gesprek af te sluiten zodra iemand niet precies aan een voorwaarde voldoet.

Als iedereen zijn werk doet, maar niemand het probleem oplost

Hier zit voor mij de kern. We hebben alles keurig opgeknipt. De woningcorporatie kijkt naar het huurcontract. De urgentiecommissie naar de voorwaarden. De Wmo-consulent naar de ondersteuningsvraag. De zorgaanbieder naar de beschikbare capaciteit. De gemeente naar haar bevoegdheden en beleid. En de burger? Die moet maar zorgen dat zijn leven netjes in die hokjes past. Op zichzelf is het logisch dat organisaties verschillende taken hebben. Maar wie kijkt er nog naar het geheel? Wie merkt op dat de ene beslissing het probleem van de andere instantie groter maakt?

Iemand verliest zijn woning. Zijn psychische klachten nemen toe. Daardoor wordt hulp organiseren nog moeilijker. Zonder vaste verblijfplaats ontstaan vervolgens weer nieuwe problemen met voorzieningen en administratie. En ieder loket behandelt ondertussen keurig zijn eigen stukje. Zo krijg je een systeem waarin iedereen kan uitleggen waarom iets niet kan, maar niemand meer vertelt hoe het dan wél moet.

Iedereen kan uitleggen waarom iets niet kan. Maar wie vertelt nog hoe het dan wél moet?

Van rechtsbescherming naar uitputtingsslag

Gelukkig bestaan er bezwaarprocedures, beroepsmogelijkheden, klachteninstanties en rechters. Die rechtsbescherming is hard nodig. Maar weet je wat het van iemand vraagt om daar gebruik van te maken? Brieven begrijpen, termijnen bewaken, bewijs verzamelen, medische verklaringen regelen, bellen, mailen en soms jarenlang procederen. En vooral: blijven volhouden. Ik ben zelf behoorlijk thuis in dossiers en procedures. Toch ben ik de afgelopen maanden op momenten echt opgebrand geraakt. En dan heb ik het nog niet eens over degene om wie het allemaal draait. Juist mensen die door psychische klachten moeite hebben met contact, administratie of vertrouwen in hulpverlening, moeten zich vervolgens door een enorm ingewikkeld stelsel heen worstelen. We vragen soms de meeste zelfredzaamheid van de mensen die het minst over hebben. Dat is toch eigenlijk te gek voor woorden?

Het probleem is niet altijd de regel, maar wat we ermee doen

Ik ben niet tegen regels. Zonder regels krijg je willekeur, en dat lijkt me ook geen aantrekkelijk alternatief. Maar regels zijn een middel. Niet het einddoel. Als een regeling bedoeld is om dakloosheid te voorkomen en iemand wordt tóch dakloos terwijl de risico's vooraf bekend zijn, dan moeten we willen weten waarom dat vangnet niet werkte. Als iemand huishoudelijke hulp krijgt toegekend maar die vervolgens nauwelijks ontvangt, moeten we niet tevreden zijn omdat de beschikking netjes op tijd is afgegeven. En als iemand meerdere aandoeningen heeft, moeten we ophouden te doen alsof hij er bij ieder loket maar één tegelijk mag meenemen. Ik geloof niet dat we daarvoor nóg een protocol nodig hebben. Wel mensen die zich verantwoordelijk voelen voor wat er uiteindelijk met iemand gebeurt.

Wanneer gaan we meten of iemand daadwerkelijk geholpen is?

Misschien moeten we eens andere vragen gaan stellen. Niet alleen: hoeveel aanvragen zijn binnen de termijn afgehandeld? Hoeveel beschikkingen zijn afgegeven? Hoeveel dossiers konden dicht? Maar: kreeg iemand de hulp ook echt? Is voorkomen dat de situatie erger werd? Paste de oplossing bij het leven van die persoon? En als vijf instanties betrokken waren, wie controleerde dan of hun gezamenlijke inspanningen überhaupt iets opleverden? Een afgesloten dossier is nog geen opgelost probleem. Een indicatie is nog geen geleverde zorg. En een juridisch correct besluit kan maatschappelijk nog steeds desastreus uitpakken.

De menselijke maat is geen beleidswoord

We praten graag over de menselijke maat. Het staat in beleidsstukken, jaarverslagen en verbeterplannen. Je komt het overal tegen. Maar die menselijke maat ontstaat niet doordat iemand haar opschrijft.

De menselijke maat begint wanneer een professional verder kijkt dan het eigen formulier. Wanneer iemand niet alleen vraagt: voldoet deze persoon aan de voorwaarden? Maar ook: wat gebeurt er als wij nu niets doen? En wie zorgt ervoor dat er dan wél iets gebeurt?

Zolang we een probleem als opgelost beschouwen zodra iedere instantie haar eigen taak heeft afgerond, blijven mensen vastlopen in systemen die op papier uitstekend werken.

Nederland heeft niet nog meer mooi opgeschreven voorzieningen nodig. We hebben voorzieningen nodig die in het echte leven iets oplossen. En als dat niet gebeurt, moeten we durven uitzoeken waarom.

Terug naar blog

Reactie plaatsen

Let op: opmerkingen moeten worden goedgekeurd voordat ze worden gepubliceerd.